Filosoferen over de ziel 

Filosoferen over de ziel

(en daarachteraan :het onderscheid tussen natuur-wetenschappen en geestes-wetenschappen)

Dilthey Wilhelm, Gesammelte Schriften, Stuttgart und Göttingen, Band VIII
(samenvatting in Visser, Gerard. Niets cadeau. Een filosofisch essay over de ziel. 2009,Valkhof Pers.)

Stappen in de geschiedenis van de 20-eeuwse filosofie 

  1. Dilthey wil filosoferen vanuit de beleving. Grondlegger van het einde van de metafysica!
    Het feit is niet alleen voorstelling of waarneming zoals vooral bij de Grieken, maar grond (d.w.z er zit een ruime belevingswerkelijkheid achter, die voel ik al kan ik het nog niet bewijzen. Ed.). Daarom zeggen we juister: het individuele wordt grond
    Voorstelling en waarneming abstraheren in de oude (Cartesiaanse filosofie )nog van de primordiale eenheid van de individuele beleving.  (Alleen filosoferen vanuit: ik kijk naar dat, Subject ziet buiten hem in de verte Object, is vanuit een verouderd wereldbeeld. Newton:  ‘de bollen die afhankelijk van elkaar in de lucht hangen’.)

Elk empirisch gegeven is in de beleving uniek. Het gaat om de begripsmatige eenheid van mijn bestaan immers, om de speelruimte van mijn  bestaan, mijn beleving van mijn hond bijvoorbeeld, toen ik hem haalde, grootbracht, toen hij stierf, enz..Ieders leven verwerft een innerlijke samenhang van interesses. Het individu wordt grond houdt daarom een drievoudige opdracht in:

  • Ik moet de eenheid niet buiten mijzelf zoeken, maar in mijzelf en kan dat niet radicaal genoeg doen (Visser, p.70)
  • Ik moet mijn uniciteit niet prijsgeven aan algemeenheid maar zien te beamen en kan dat niet radicaal genoeg doen.(‘ ik heb je geschreven in de palm van mijn hand’ , laat de bijbel god zeggen. M.a.w. er bestaat niet een Janheid of Louisheid.
  • Ik moet mijzelf met mijzelf, de unieke eenheid die ik ben, durven afzonderen en ik kan dat niet radicaal genoeg doen

Is een subjectieve beleving dan niet onwetenschappelijk, alleen vaag, een soort fantasie? Een nieuwe wetenschappelijke ondersteuning voor deze opvatting levert de quantummechanica en haar implicaties: zie

2. Kierkegaard gaat op dit ervaringsdenken van Dilthey voort: de ervaring is te summier omschreven door Dilthey (die de zaak teveel verengt tot een duidelijk doel en zwicht daarbij voor de boom der kennis gezwicht doordat hij zich er hier met een verklaring van af maakt: ‘onze zelfwording krijgt in de loop der ontwikkeling gestalte’. Een te algemene dooddoener! En alleen maar teleologisch, alleen kijken naar een doel). Ben ik mijzelf trouw gebleven, is een belangrijke vraag. Woher, wo, wohin?; het gaat om onze existentie. Dit concept wordt in dit tijdperk met open armen ontvangen. Er is een niet te vatten geheim, dat zich niet direct laat vallen; er is meer dan het zogenaamd glashard bewezen concept dat we kunnen doorgronden en zekerheid biedt: ook twijfelen is mogelijk (bijv.godsbestaan in theologie).

3. Heidegger gaat hierop verder. Het geheimzinnige, aansprekende, moet behoed worden; we zijn behoeders van het zijn. De Rijn alleen als een vervoerskanaal voor de economie bezien is deze rationeel/economisch bezien, en doet de mythe (het nieuwe, de kastelen, jonkvrouwen, verhalen) verdwijnen: een ontmythologisering is dat en een verarming. Later gebruikt hij ook de aanduiding leven als hoogste concept dat onze beleving aanduidt, Erlebung. 

4. Dat is voor Gerard Visser nog te arm. Er bestaat meer in onze beleving en ervaring. Iedere handeling weeft voort aan mijn gewaad. De beleving van mijzelf is mijn gewaad. Ik ben een vanzelfsprekende eenheid, ondanks dat ik verander, blijf ik toch dezelfde. De Griekse eigenschappen van de ziel zijn onvoldoende, want er is er een vergeten, er is er nog een, de mogelijkheid van individuele beleving.
Daartoe zijn nieuwe levenscategoriën nodig . Ik ben dan wel een zijnde, maar wie ben ik nu zelf? Tijdelijkheid en Betekenis voldoen hier, ze karakteriseren mijn individulaliteit. Want geen dier kent die temporaliteit (dat voortgaande in de tijd, dat worden, mezelf worden. Bovendien verga, bederf ik ook nog. Hoe dan betekenis opbouwen?

pag.70
Individu kent drie betekenissen: het ene, het unieke (met mijn naam ‘Louis’, het karakteristieke eigene ervan, er zijn er geen twee van in het hele universum: ‘Ik heb je geschreven in de palm van mijn hand’. Op deze plaats, deze tijd, deze ouders. Er kan een soort roepingsgevoel uit ontstaan, dit is mijn betekenis voor de wereld. Lijkt op de opdracht bij Nietzsche: de wil om de übermensch te worden) en als derde betekenis het singuliere. (Het afzonderlijk alleene, ik ben alleen geboren, ga alleen dood. Het zum Tode van Heidegger, de zorg voor het zijn, maar de mens is geen zijnde, maar daar bovenop een Wie)

Het individu wordt grond, deze uitspraak kent een drievoudige opdracht:
1. Ik moet de eenheid niet buiten mijzelf, maar in mijzelf zoeken en ik kan dat niet radicaal genoeg doen.
2. Ik moet mijn uniciteit niet prijsgeven aan algemeenheden, maar zien te beamen en ik kan dat niet radicaal genoeg doen.
3. Ik moet mijzelf met mijzelf, de unieke eenheid die ik ben, durven afzonderen en ik kan dat niet radicaal genoeg doen.

Het Griekse begrip substantie vervangt Visser daarom nu door het belevingsbegrip  resonantie. ‘Ik denk’ maakt plaats voor de temporele speelruimte van heel het gemoed (want we beleven die eenheid in ons gevoel).

(De affectieve zelfopenbaring, Seelenleben, is een Innewerden, een Erleben. In plaats van het objectiverend karakter van Bewustzijn spreken we daarom liever van Awareness of : Beleving als het gevoelsmatig van binnen uit gewaar zijn is de kiem van alle zielsleven). Eckhart (zie hieronder) heeft nu voor Visser het oude zielsbegrip van Plato niet te hebben afgebroken maar opengebroken, door de vroegere zielsbepalingen niet als theoretische eigenschappen van een substantie te beschouwen, maar te ervaren als levende kwaliteiten van een leegte in de grond van het gemoed, die meer vermag dan welk zielsvermogen ook.

Visser laat zich nu leiden door de in de 13e eeuw levende Meister Eckhart. p.138. De term resonantie die hij gebruikt voor als we luisteren naar onze innerlijke beleving is bij Eckhart: god is weliswaar onkenbaar, maar daarmee nog niet onkenbaar. Het kennen, is daar nog meer dan het zuiver intellectueel kennen en vindt vooral plaats in een ledigh gemüete of rein hertz. Het kennen is hier affectief geworden; het Griekse Intellectus Purus omvat ook het affectieve, het hart . In stilte resoneert en vernemen wij: ‘dat zij vermag te ontvangen: in de wijdte, in de zee, in een ondoorgrondelijke zee’. 

Meer dan aan het raadsel van het zijn (Heidegger, of het raadsel van het leven) , behoren wij in onze individuele beleving toe aan het raadsel van de ziel. Het is de stille oproep die ons mensen in de barre grond van onze ziel roept. Voor Eckhart bezitten wij in de grond van onze ziel een ontvankelijkheid bezitten die van een totaal andere en hogere orde is dan de receptiviteit van de gebruikelijke zielsvermogens. Zij is ook affectief: ‘Wanneer de ziel een kus van de godheid ten deel valt, is zij in een staat van volledige volkomenheid en zaligheid; daar wordt zij omvangen door de Eenheid ‘. En dat betekent voor Visser (over die goddelijke kus): innerlijk omvangen worden door de wijdte van een ontvankelijkheid die mij – in mij- bij zichzelf naar binnen roept.

Visser voegt hier nog aan toe(naar aanleiding van onze valkuil waardoor we de hele dag maar in ons hoofd lopen te ‘denken’ zie op deze site meer) : wat Heidegger met denken bedoelt: het oud-duitje ‘Gidanc’  vereenzelvigt onze gedachte nog niet met voorstellingen of meningen, maar een veel rijkere zin heeft. Gedachte betekent hier: ‘het gemoed, het hart, de hartengrond, dat meest innerlijke van de mens, dat het verst naar buiten reikt en tot in het buitenste en dat zo beslist dat het welbeschouwd, de voorstelling van een binnen en een buiten niet laat opkomen. p.140

De betekenis van Dilthey voor onderscheid tussen natuurwetenschappen en geesteswetenschappen. Dilthey Wilhelm, Gesammelte Schriften, Stuttgart und Göttingen, Band I – XX.
Allereerst is dit een raar onderscheid (niet adekwaat gedistingueerd): natuurwetenschappen gaat ook over de geest en geesteswetenschappen over de natuur). Menswetenschappen is helemaal een rare term. Publicaties van Dithey vanaf 1867.
Natuurwetenschap vormt hypothesen om tot een samenhangend geheel te zien. In geesteswetenschappen is het geheel gegeven als uitgangspunt. De eerste verklaart, de tweede beschrijft. Beschrijvende psychologie moet niet direct een analyse van feiten aangaan, maar de structurele samenhang aan de hand van een innerlijke beleving trachten op te helderen. Zij moet dus niet een analyse van oorzakelijke verbanden tussen abstracte entiteiten bezigen. (Bergson: een analytische tegenover een intuitieve). Wirkungsammenhang is hier het kernwoord.
De verklarende psychologie kan niet het grote bereik hebben van het geweldige menselijke zieleleven zoals Shakespeare en Goethe het ons hebben uitgebeeld. Zoals

  • de variatie
  • de onvoorspelbaarheid,
  • de kleur van het hele gemoed,
  • de samenhangen daartussen, wil, motivatie, kracht van de energie,
  • doorzettingsvermogen,
  • spontaneïteit,
  • levendigheid,
  • gevoelsbewegingen,
  • de intellectuele voorstellingen in ons zelfbewustzijn,
  • de aanwezige stemmingen en hun samenhang en samenwerking!!
  • van de ene in de andere toestand komen,
  • de subjectieve en immanente doelgerichtheid om jezelf te willen worden,
  • het geheim van het individuele,
  • het onderscheid met het karakter van een ander dat niet in kwantitavieve verschillen in vermogens ligt maar in de manier waarop het geheel samenhangt, enz..

Der seelische Zusammenhang bildet der Untergrund der Erkentnissprozesses en kan dus ook alleen als zodanig bestudeerd worden. Gelukkig is dit onderscheid tussen natuurwetenschappen en mens-wetenschappen nu in principe opgeheven door de quantumwerkelijkheid en haar nieuwe visie (meer)

Vergelijk ik nu nog bovenstaande beschouwingen over de ziel met het Boeddhisme.
Allereerst valt me daar ook het besef van de onkenbaarheid(van de oorsprong van het ‘ik’ op). Boeddhisme vecht tegen de illusie van kenbaarheid. Ons richten op objecten en dingen kan ons in illusie laten verkeren. In het Boeddhisme is  groot besef van onze eenheid met alles.(zie meer daarover op deze site)

Maar we verschansen ons in ons verstand om een prikkeldraad om ons heen te leggen hetgeen de waan van eigen identiteit suggereert maar daarbij een afstand tot anderen creëert.

Daar moet direct tegenover gesteld worden dat er in het Boeddhisme niet veel aandacht lijkt voor het individuele en persoonlijke van een mens. En juist in het Europese existentialisme wel.

Wel lijkt er een soort individuele opdracht te zijn: verlicht raken, ontwaken uit het slapen, positie kiezen.

Verder is er bij Boeddhisme veel nadruk op het ervaren, dat in het Nu plaats vindt en waarbij in verleden en toekomst verkeren, slechts een uit het beleven je terugtrekken, betekent.

Meer over de ziel op deze website

Meer over psychotherapie vanuit de ziel. Meer

Print Friendly