Het drama van het begaafde kind

Het drama van het begaafde kind

Wanneer ik aan een student uitleg wat Miller bedoelt met het drama van het begaafde kind, zegt hij vaak: ‘dat is nou precies zoals ik ben’. De ‘almachtsfantasie’ (de wereld redden, ouder spelen voor ouders) is een troostfantasie en bedekt een diepe afgrond van verdriet en vermeende leegheid.
De symptomen van deze disharmonie zijn voor een geoefend oog van buitenaf waar te nemen. Begaafde mensen kunnen soms zo gericht zijn op het volbrengen van taken en het verantwoordelijkheid nemen voor een ander, dat ze het contact met hun ware zelf kwijt zijn of nog nooit hebben ervaren. Dat is het drama van het begaafde kind. Ze piekeren meer dan goed voor hen is, de spontane lach is verdwenen. Het is gevaarlijk niet te weten wie je zelf bent wanneer je een relatie wilt aangaan: hoe moet je reageren wanneer het intiemer wordt, wie ben je immers zelf. De angst om overspoeld te raken door de ander is immens bij hen die bang zijn vanbinnen leeg te zijn. Het is ook moeilijk om rustig alleen te zijn, want de kunst van het alleen zijn wordt alleen verstaan door hen die in zichzelf geankerd zijn. Depressieve grondstemmingen beginnen zich aan te dienen omdat allerlei emoties onderdrukt worden. De deksel moet op de kokende ketel gehouden worden, want je bent bang te exploderen wanneer je opkomende gevoelens gaat uiten die je nauwelijks kent. Mensen leren zichzelf en hun emoties pas kennen wanneer deze ooit eens geuit zijn vroeger en als tegenreactie door een ander herkend en gespiegeld zijn. Algemeen kenmerk van de studenten die bij ons om hulp vragen is nu juist dat deze emotionele wederkerige uitingen op jonge leeftijd weinig hebben plaats gevonden. Dat hoeft niet eens veroorzaakt te zijn door dramatische omstandigheden, maar kan ook het gevolg zijn van getalenteerdheid en anders zijn dan de ouders. In hun rijke karakterstructuur komen zulke fijne gevoelsnuances en gedachten op dat ze door een ouder niet herkend werden en dus niet beantwoord. Een kind gaat dan snel denken dat deze eigen gevoelens geen bestaansrecht hebben, vreemd zijn of stom of belastend. Dat is het drama van het begaafde kind. Het referentie-kader van een jong iemand is altijd de ouderlijke omgeving. Harmonieert die niet met eigen innerlijke ontwikkeling, dan trekt een kind de conclusie schuldig te zijn bij welke gevoelsimpuls dan ook. Zelfgevoel, innerlijkheid, variëteit van emoties zijn dan niet goed ontwikkeld en zitten nog in de knop. Hulpverlening bestaat eruit om blokkades in het ontwikkelingsproces uit de weg te ruimen zodat de opbloei verder vanzelf kan gaan. Zijn belemmeringen zoals schuldgevoel, schaamte of angst eenmaal bewust gemaakt, dan is de loskomende groeikracht vaak enorm. In het volgende hoofdstuk wordt uitvoerig ingegaan om dit drama van het begaafde kind en de behandeling ervan.
Hoewel het complex van ‘het drama van het begaafde kind’ verrassend vaak ten grondslag ligt aan de problemen waarmee studenten zich melden, is dat natuurlijk niet altijd het geval. Studenten kunnen dan doorgaans wel slim zijn, maar daarmee zijn ze nog niet per definitie sociaal gevoelig of emotioneel begaafd. Soms ontbreekt dit laatste juist volledig.
Veel studenten die uit balans raken, herkennen zich in de constellatie die door Alice Miller (1979) zo treffend ‘het drama van het begaafde kind’ is genoemd. ” De rillingen lopen over mijn rug; ik herken mijzelf precies in wat je nu uitlegt”, zei een studente tegen mij. De uitleg van deze psychische constellatie is voor studenten vaak een opluchting, ze voelen zich herkend. Deze herkenning raakt hen des te meer omdat ze tot dan toe gedacht hebben dat niemand ze begrijpt. Heimelijk gaan ze er nog steeds van uit dat ze zo bijzonder zijn dat ze eigenlijk niet te helpen zijn …

terug naar mijn site studenten en het boek

Een prachtige verbreding en verfijning en van de theorie v.h. begaafde kind,

is te vinden bij Dabrowski, klik

Uit een therapie

De flinkheid van studente X is duidelijk; ze komt in haar jaarclub als een sterke persoonlijkheid over; ze is geneigd als praatpaal voor anderen te dienen. Dat kan ze goed. Ze snapt mensen snel, en ze voelt ze ook goed aan. Ze heeft hierin feitelijk een levenslange leerschool. Ze is daarin begaafd.
Ze moet als klein meisje de beslissing genomen hebben: ‘ik doe het wel alleen’. Ik mag mijn vader en moeder niet belasten, want die hebben het al moeilijk genoeg. Op mijn zusje moet ik nooit boos worden, want die is ongelukkiger dan ik’. Deze houding van aanvoelen van het leed en dat de wereld uit willen helpen, geeft overigens ook een kick. Het zelfgevoel wordt er mee opgekrikt. Miller noemt het een narcistic personality disorder; zij beschrijft in haar boek dan ook ernstige patiënten. Maar ook studenten met een minder dramatische achtergrond kunnen zich vaak bijna standaard herkennen in het beeld. Het is een noodgedwongen opblazing van je identiteit tot meer dan je bent en dragen kunt.
Deze grootheidsfantasie geeft weliswaar een kick, maar kent tegelijkertijd een keerzijde. Want hij dient als een troostfantasie, die een diep ongelukkig gevoel markeert. Het is een drama. Want als de opgeblazen ballon knapt, dan komt het moment dat je niet verder meer kunt en volgt depressie. In de kernachtige formulering van Pesso (1996): “you feel as special, as larger then life. But then starts the feeling how worthless you are”.
De helpersrol maskeert een groot verdriet: “voor mij is er geen aandacht, en ik kan geen kattenkwaad uithalen en zorgeloos kind zijn; want ik moet altijd sterk en flink zijn”.
Doordat deze studente haar eigen impulsen altijd heeft moeten onderdrukken, is het moeilijk voor haar om te weten wie ze is. Haar eigen wezen is nooit aangeraakt, er is geen communicatie over met anderen geweest, en daardoor weet ze niet wie ze werkelijk zelf is. De expressie van haar innerlijk heeft nooit goed vorm gekregen omdat er geen ontmoetende tegenvorm was. Gevolg is ‘explosie-angst’: “àls ik begin te huilen, dan is er geen houden aan, dan is mijn verdriet bodemloos. Als ik boos word, dan belast ik een ander zodanig dat er rampen gebeuren; dat de ander bezwijkt, gekwetst wordt en mij in de steek laat”.
Deze studente heeft nog niet geleerd intiem met zichzelf te verkeren, haar eigen gevoelens onderkent ze slecht, ze kan ze niet onder woorden te brengen, laat staan tot uitdrukking brengen. Haar ware zelf is nog niet tot bloei gekomen.
….. Eerst zal zij inzicht moeten krijgen in het probleem. De constellatie van ‘het drama van het begaafde kind’ wordt in het algemeen snel herkend als ze goed wordt uitgelegd en getoetst aan de ervaringen van de cliënte.
Na inzicht in het probleem zullen angsten en afweer moeten worden doorgewerkt. Een kind dat vroeger in een min of meer ernstige noodsituatie heeft verkeerd, zal iedere impuls die echt uit zichzelf komt, als bedreigend ervaren en schuldbeladen. De noodsituatie bestond mede daaruit, dat een impuls, een opkomend gevoel van een kind, gekleineerd werd, weggewuifd of alleen maar niet herkend en zeker niet gevalideerd of ‘gezegend’. Omdat een kind geen ander referentie-kader heeft dan de ouders, zal het op grond van het niet of verkeerd reageren van een ouder, de conclusie trekken dat de eigen impuls ‘slecht’ is, of ‘dom’ of ‘raar’ en dat zij de enige is met zulk een ‘probleem’ en dat niemand dat ooit begrijpen zal. Het eigen gevoel gaat dan ondergronds of wordt als schaamtevol ervaren (Zie uitgebreider hoofdstuk 6).
In een veilige therapie kan de ‘domheid’ ontzenuwd worden en ‘het rare’ ontkracht. Na enige tijd zal deze studente zonder al te veel schaamte meer ruimte vragen voor haar gevoelens, en schuldloos grenzen gaan stellen aan wat anderen haar vragen.
Ze heeft hiermee overigens ook afstand moeten doen van een eigenaardig soort ‘uniciteit’ en ‘almacht’: ‘ik moet het toch alleen doen, ik zal de wereld wel redden’. Deze kick die lang gediend heeft als troostfantasie zal zij af moeten leggen. Er is tijd nodig om te rouwen om het loslaten van deze positie. Aanvankelijk zal het loslaten van de vertrouwdheid van deze positie de angst oproepen die met een vermeende ontstane leegte gepaard gaat. De therapeut zal zorgzaam om moeten gaan met deze kwetsbare positie; ze is als een vogeltje die uit het ei komt en de veiligheid van de schaal kapot ziet gaan.
Maar ze gaat daar iets voor terug krijgen. Omdat ze nu ook tot dan toe verborgen energieën van haar wezen tot ontwikkeling laat komen, zal de echte kracht van binnenuit gaan ontstaan, vanuit een innerlijke bron. Ze ontdekt de goede vader en moeder in zichzelf, ze leert zichzelf geven wat ze nodig heeft. Dan komt ze beter in balans, gaat zich fysiek ook prettiger voelen, krijgt meer flexibiliteit en kinderlijke zorgeloze lol. De depressie lost zich op, ze krijgt weer zin in het leven en daarmee krijgt het leven zin.
De wereld moet het waarschijnlijk wel hebben van deze begaafde kinderen, van hun moed, en aanvoelingsvermogen. Maar laat de wereld dan zorgen dat deze kinderen niet bezwijken onder hun last. Wanneer ze in contact komen met hun eigen innerlijk, zal de warmte die ze verspreiden en de steun die zij kunnen bieden, echt zijn en niet uit angst voortkomen, maar uit hun hele wezen.
Meer literatuur:
Jenson, Jean (1997). Op weg naar je ware zelf. Houten: Holkema en Warendarf. (Vertaling; vooral eerste helft is prima).
Miller, Alice (1979). Het drama van het begaafde kind. Vanaf de 22e druk (1999). Holkema en Warendarf.

Terug naar het boek waaruit deze passage

Print Friendly, PDF & Email